|
Esmee
duwt de tastende handen van zich af. “Ga weg!” roept ze hees.
Maar
de handen blijven komen. Ze raken haar aan. In haar haar, op haar rug, haar
buik. Woest slaat ze om zich heen. Weg, ze moet hier weg!
Ze
wil wegrennen. Maar het gaat niet. Haar voeten willen niet.
“Nee!” Haar gil snerpt door de kamer. Ze zit rechtop in bed. Haar vader
wiegt haar in zijn armen. “Stil maar meid, het is al goed. Je had een
nachtmerrie.”
Opeens weet ze het zeker. Het zal nooit meer worden zoals het was. En de
nachtmerries zullen blijven……..
|
 |